Neveneffecten
Veroorzaakt een tumor neveneffecten?

Een tumor op zich kan afhankelijk van zijn locatie in het lichaam problemen veroorzaken door bijvoorbeeld organen aan te tasten of door hun groei organen in te drukken. Daarbovenop zijn kwaadaardige tumoren louter door hun aanwezigheid in staat om het lichaam te ontregelen. Omdat het lichaam er op voorzien is om gezwellen zoals tumoren af te stoten, kan dit leiden tot overmatige reacties van het lichaam op de tumor. Enkele van deze reacties worden hieronder opgesomd.

Anorexie/cachexie

Door kanker minder willen eten/ondanks voldoende voedselinname toch vermageren.

Bij deze hond is er een aftekening van de ruggenwervels door het wegsmelten van de spieren langs de ruggengraat zichtbaar. Op het hoofd kan men vaak een aftekening van de schedel zien door het verminderen van de spiermassa.

Protein-Losing Enteropathy

Verlies van serumeiwitten in de ontlasting welke kan leiden tot een te laag gehalten aan eiwitten in het bloed (wanneer verlies groter is dan aanmaak). De oorzaak hiervan is een gestegen doorlaatbaarheid van bloedeiwitten (door schade aan het darmslijmvlies, verzwering, verstopping van de lymfevaten).

Zweren in het maagdarmstelsel

o.a. bij mastceltumoren, gastrinomen

Te hoog gehalte aan calcium in het bloed

Een te hoog gehalte aan calcium in het bloed (o.a. bij lymfomen 10-35%, anaalzakadenocarcinoom 25%, schildkliercarcinoom, multiple myeloom (20%), bottumor, thymoom, squameuscelcarcinoom, melkkliercarcinoom/adenocarcinoom, melanoom, primaire longtumor, chronische lymfocytaire leukemie, nierangiomyxoom, bijschildkliertumor). Dit kent vele oorzaken, o.a. botuitzaaiingen, een gestegen bijschildklierhormoon, ... ) en kan volgende symptomen veroorzaken:

  • onvermogen om urine te concentreren
  • afzetten calciumzout in nier met eventuele beschadiging van de nier tot gevolg
  • afbraak van urinewegepitheel
  • veel drinken en plassen -> kan langzaamaan tot uitdroging leiden
  • constipatie, hoge bloeddruk, onvrijwillige spierbewegingen, zwakte, depressie, braken, laag hartritme, versuffing, coma, sterfte.
Bloedarmoede (anemie)
  1. anemie geassocieerd met een chronische aandoening: dit is vaak aanwezig bij uitgezaaide tumoren. De oorzaak is een afwijking in de organisatie van ijzeropslag en het metabolisme, een kortere levensduur van rode bloedcellen en occasioneel een verminderde beenmergrespons. De behandeling houdt het chirurgische verwijderen van de tumor in.
  2. immuungemedieerd: hierbij valt het eigen lichaam de rode bloedcellen aan. De behandeling houdt het verwijderen van de tumor in of het toedienen van een immuunonderdrukkende dosis glucocorticoïd (eventueel azathioprine, cyclosporine, cyclofosfamide).
  3. bloedverlies: bij voorbeeld door bloedende zweren. De behandeling houdt verwijdering van de tumor in en eventueel ijzersupplementatie.
  4. microangiopathische hemolytische anemie: dit is het gevolg van bloedafbraak vanwege fibrine-afzet en/of endotheelschade (beschadiging van de aflijning van bloedvaten). De oorzaak is hier meestal te wijten aan verspreide klontervorming in de bloedvaten of bloedvatschade door een bloedvattumor (hemangiosarcoom). De behandeling houdt verwijdering van de tumor in en algemene ondersteunende behandeling (vocht toedienen, middelen tegen misselijkheid indien nodig, ... ).
Koorts

Een tumor kan stoffen aanmaken die effecten hebben op gewone weefsels. Bij overmatige aanmaak van signaalstoffen (cytokines (IL-1, IL-6, TNF╬▒, IFN), koortsopwekkende prostaglandines) kan men erg ziek worden en koorts vertonen.

Belangrijk is om steeds na te gaan of er geen infectie kan uitgesloten worden.

  • Kanker + koorts + een gebrek aan neutrofielen (een bepaald type witte bloedcellen) moet gezien en behandeld worden als een spoedgeval.
  • Kanker + koorts + geen gebrek aan neutrofielen moet worden opgevolgd en gezocht worden naar een eventuele oorzaak van de infectie/ontsteking.
  • Indien niets te vinden, hoort kanker bij de mogelijke oorzaken.
Referenties
  1. Bergman PJ. Paraneoplastic Syndromes. Withrow and MacEwen's Small Animal Clinical Oncology, 5th edition, Chapter 5 (p 83-92).