De basis
Wat is kanker?

Het lichaam bestaat uit vele bouwstenen, waaronder cellen. Cellen delen een beperkt aantal keer totdat ze hun vermenigvuldigingslimiet bereikt hebben, waarna ze sterven. Deze oude cellen worden dan vervangen door nieuwe cellen.

Hoe vaker een cel deelt, hoe groter de kans op mutaties/fouten bij de delingen. Deze fouten of mutaties kunnen het gevolg zijn van toeval, maar ook van blootstelling aan een risicofactor zoals UV-straling of rookpartikels.

Over het algemeen worden deze fouten door controlemechanismen van de cel zelf opgemerkt, waarna óf de fout wordt hersteld óf de cel sterft. Soms kan een cel echter aan deze controlemechanismen ontsnappen en ongecontroleerd beginnen delen. Op dit moment is de cel een kankercel geworden.

Wanneer deze kankercellen ongecontroleerd kunnen delen ontstaat een tumor. Hoe meer de cellen delen, hoe groter de tumor. Hoe sneller de cellen delen hoe kwaadaardiger/hooggradiger de tumor.

Van zodra deze tumor 1-2 millimeter groot is, gaan de kankercellen de vorming van nieuwe bloedvaten nodig hebben om de kankercellen te voeden. Zonder deze bloedtoevoer kan de tumor niet verder groeien.

Enkele termen
Tumor

Tumoren (ook wel kanker of neoplasie genoemd) bestaan uit kankercellen en kunnen goed- of kwaadaardig zijn.

Goedaardige (benigne) tumor

Goedaardige (benigne) tumoren zijn gezwellen die bestaan uit kankercellen die doorgaans het omgevende weefsel niet binnendringen en zich niet verspreiden (metastaseren) naar andere delen van het lichaam. Over het algemeen vormen ze een massa in het lichaam die ruimte inneemt, en die pas een probleem vormt wanneer er door een gebrek aan ruimte druk op andere organen of weefsels ontstaat. Zo kan bijvoorbeeld druk op zenuwen pijn veroorzaken of een verstoorde werking van het bezenuwde lidmaat. Goedaardige gezwellen kunnen soms evolueren naar een kwaadaardige vorm.

Kwaadaardige tumor

Kwaadaardige tumoren zijn gezwellen die bestaan uit kankercellen die typisch wel het omgevende weefsel binnendringen en het vermogen hebben zich te verspreiden. Ze verspreiden hiertoe ondermeer stoffen (zoals groeifactoren) die het gezonde weefsel dat de tumor omringt aanzet samen te werken met de tumor om zodoende zijn verdere groei mogelijk maken.

Uitzaaiingen (metastasen)

Wanneer kankercellen in de aangrenzende gezonde weefsels dringen en via het bloed of lymfe ontsnappen aan de tumor (primaire tumor) om in andere organen te belanden en daar een nieuwe tumor (secundaire tumor) te vormen. De secundaire tumor is een uitzaaiing (metastase). De kankercellen van de uitzaaiing bestaan uit hetzelfde celtype als de primaire tumor. Zo kan een bottumor uitzaaien naar de longen en zal deze uitzaaiing in de longen botweefsel aanmaken.

Remissie / Regressie

als een aandoening terrein verliest en de toestand van de patiënt tijdelijk verbetert, is deze patiënt in remissie. Als alle tekenen van de ziekte verdwenen zijn, gaat het om een complete remissie. Dit betekent echter niet dat de ziekte volledig uitgeschakeld is. Tijdens remissie zijn ofwel alle kankercellen verdwenen ofwel de massa's te klein om op te sporen. Van de tumor zelf, die kleiner wordt, wordt gezegd dat deze in regressie is.

Hoe langer de complete remissie aanhoudt, hoe groter de kans dat de patiënt echt genezen is.

Recidief

Men spreekt van een recidief wanneer de kanker terugkeert nadat deze een tijdlang verdwenen was (het einde van een remissie).

Stageren

Bij het stageren worden 3 zaken bepaald volgens het TNM-systeem:

  1. De omvang en lokalisatie van de tumor (T)
  2. De betrokkenheid van de lymfeknopen (N)
  3. De aanwezigheid van uitzaaiingen (metastasen) (M) in ander weefsel dan de lymfeknopen in de nabijheid van de tumor.

Deze informatie is nodig om het beste behandelingsplan voor de hond op te stellen. De mate waarin de tumor gevorderd is, bepaalt het behandelplan en de prognose.

Daarenboven wordt voor het behandelingsplan rekening gehouden met de algemene gezondheid van de hond (vb controle op hart/nier/leverproblemen) om de meeste passende behandeling te kunnen toepassen. Echter, net als bij mensen is het ondanks de meest moderne onderzoekstechnieken niet altijd mogelijk om zeer kleine uitzaaiingen op te sporen.

Afhankelijk van het tumortype kan stageren minder of meer uitgebreid zijn (zie tumortypes). Dit hangt af van het verwachte gedrag van de tumor. Enkele voorbeelden:

  • Mastceltumoren: punctie/biopsie tumor, punctie regionale lymfeklieren, echografie (en evt punctie) lever en milt.
  • Osteosarcoom: aanprikken van de regionale lymfeklieren, radiografie longen en andere beenderen (kan ook gebeuren door scintigrafie) en bloedonderzoek. Een CT-scan is gevoeliger om longuitzaaiingen aan te tonen en meer beschikbaar dan scintigrafie.